Witsen Scheepsbouw

Een wandeling op het wijdschip

Verkenning

Het water heeft in ons land met zijn enorme achterland altijd een belangrijke rol gespeeld in het vervoer van goederen en personen. Enerzijds kwam dat door de overvloedige aanwezigheid van goed bevaarbare waterwegen en anderzijds door het ontbreken van fatsoenlijke wegen. Varen was goedkoop en relatief comfortabel.

De oudere generaties onder ons hebben nog net de tjalk kunnen mee maken als karakteristiek vrachtschip op onze binnenwateren, voordat het type werd verdrongen door spitsen, klipperaken, Hagenaars, luxe motors en de duwbakken op de Rijn. Er zijn maar weinig mensen die zich realiseren dat de tjalk zich kan beroemen op een eeuwenlange geschiedenis. In de Cronyk van Hoorn schrijft Velius dat er daar al in 1460 karviel- of karveelschepen werden gebouwd. Zij kwamen in de plaats van kleinere, overnaads gebouwde voorgangers zoals crabschuiten, heuden en wat er verder mag hebben gevaren (en waarvan niets tot bijna niets meer bekend is). Het karveel of gladboordig bouwen was een techniek die hier rond die tijd vanuit Zuid-Europa zijn intrede deed en die prompt als benaming ging gelden voor schepen die niet meer overnaads waren geconstrueerd. Opvallend is dat in die tijd al meteen sprake was van smal- en wijdkarvielen, benamingen die al snel werden vervangen door de term ‘smal- en wijdschepen’.

Onnodig te zeggen dat het eigenlijk om één en hetzelfde type ging, waartussen onderscheid werd gemaakt vanwege de afmetingen. Van Yk legt in zijn ‘De Nederlandse Scheepsbouwkonst Opengestelt’ (1697) uit waar de grens tussen de beide varianten lag: ‘Het onderscheid dat tusschen een smal, en wijd schip is, bestaat alleenlijk daarin, dat het eerste zoo nauw is gebouwd dat door de stad Gouda kan gelaten; maar het tweede zo wijd, dat daar buiten omgevoerd moet worden´

Gouda was een belangrijke halte in de verbinding tussen Noord- en Zuid-Holland, met name tussen het Y en de Hollandse IJssel. Er lagen drie sluizen in dat traject, eentje in Spaarndam in de buurt van Haarlem, eentje in Gouwsluis (een buurtschap bij Alphen aan de Rijn) en eentje in Gouda. Vooral die laatste, de overwelfde Donkere Sluis vormde een obstakel voor het verkeer dat om uiteenlopende redenen door de stad wilde. De maximale wijdte van de sluis was 16 voet 6 duim (4.68) meter. Daarmee was de maat bepaald die het smalschip onderscheidde van het wijdschip, dat ‘buitenom’ moest. Die breedtemaat legde ook de maximale lengte van het smalschip vast: ongeveer 65 voet (ruim 18 meter). Wijdschepen konden groter worden uitgevoerd: Witsen geeft een bestek van een wijdschip van 70 voet (bijna 20 meter) en er zijn er grotere geweest: bestekken van wijdschepen van 75 voet (ruim 21 meter) komen veel voor.

De bovengrens had natuurlijk alles te maken met de aan lengte en breedte gekoppelde diepgang, die voor een smalschip rond de twee meter lag en die voor wijdschepen door de beperkingen van de waterwegen tot niet zo heel veel meer dan 2,5 meter kon oplopen. Het enige verschil tussen beide varianten zat hem vaak in de tuigage: smalschepen voeren een smak- of sprietzeil, terwijl veel van de afbeeldingen van wijdschepen een staand gaffeltuig tonen. Maar verder was de vorm gelijk.

Die vorm was karakteristiek: het schip had matig vallende stevens, een plat vlak, ronde boegen, een uitdrukkelijk naar voren en naar achteren oplopende zeeg, benadrukt door (gewoonlijk) drie berghouten. Het boeisel liep naar achteren toe naar elkaar toe, zodat er een driehoekig gat (het hennegat) overbleef waardoorheen de helmstok van het roer het schip binnenkwam. Het dek was vlak met een braadspil in de boeg. Daarachter lagen het luik naar het vooronder, waar de knecht(en) sliep(en), de overloop van de stagfok, de bolle luiken van het vrachtruim en de kleine roef daarachter. Op de stuurplecht achter de kajuit was de overloop van het grootzeil en nog een luik dat leidde naar de piek, waarin zeilen en gereedschappen waren opgeslagen. Een groot roer en een paar zwaarden complementeerden het beeld. De karakteristieke driehoekig afsluiting van het boeisel komen we nog steeds tegen bij de laatst overgebleven hektjalken, terwijl andere typen tjalken als ‘draai-over-boord-typen werden uitgevoerd.
Het smalschip werd gewoonlijk gevaren door een schipper met zijn knecht, maar grotere wijdschepen konden wel aan twee of drie knechten plaats bieden.

Net als de kaag werden smal- en wijdschepen ingezet voor het laden en lossen van koopvaarders die op de rede van Texel of Terschelling lagen, maar ook veel vaste verbindingen en beurtvaarten voor zowel goederen als personen werden er mee onderhouden. Ze werden dan ‘veerschip’ genoemd (al of niet ‘overzeesch’), maar de benaming sloeg natuurlijk meer op de functie dat het schip vervulde dan op het type.

Hoewel smal- en wijdschepen feitelijk nederige scheepstypen waren, hebben onze grote maritieme schilders uit de Gouden Eeuw hun schoonheid erkend en zijn ze ruimschoots afgebeeld op schilderijen, zij het vaak alleen als aanvulling op de compositie. Dit artikel toont er een paar prachtig geschilderde voorbeelden van het indrukwekkende scheepstype met haar lange staat van dienst.